ACM onderzoekt langere afschrijving warmtenetten om kosten eerlijker te verdelen

Terug
03.11.2026 Hoofdartikel
Gijs de Koning Gijs de Koning E-mail Hoofdredacteur
ACM onderzoekt langere afschrijving warmtenetten om kosten eerlijker te verdelen

De Autoriteit Consument & Markt (ACM) onderzoekt of de afschrijvingstermijnen voor warmtenetten langer kunnen worden dan de voorgestelde maximale termijn van dertig jaar. Uit onderzoek van het Deense adviesbureau PlanEnergi blijkt dat verschillende onderdelen van warmtenetten een economische levensduur van 45 tot zelfs 60 jaar hebben. Langere afschrijvingstermijnen kunnen de jaarlijkse kapitaallasten en daarmee de warmtetarieven verlagen, maar brengen volgens de toezichthouder ook risico's voor de investeringszekerheid met zich mee.

De ACM liet PlanEnergi onderzoek doen naar de economische levensduur van warmtenetten en de verdeling van investeringskosten over verschillende generaties warmtegebruikers. De onderzoeken moeten bijdragen aan de nieuwe kostengebaseerde tariefregulering onder de Wet collectieve warmte (Wcw).

Onder de huidige systematiek zijn de maximale warmtetarieven nog gekoppeld aan de kosten van verwarming met aardgas, volgens het niet-meer-dan-andersprincipe. In de toekomstige systematiek worden tarieven gebaseerd op de efficiënte kosten van warmtebedrijven, inclusief een redelijk rendement op investeringen. De manier waarop die investeringen worden afgeschreven, bepaalt mede hoeveel huishoudens jaarlijks betalen.

Warmteleidingen gaan langer mee dan dertig jaar

In de consultatieversie van het Besluit collectieve warmte is een maximale afschrijvingstermijn van dertig jaar opgenomen. Volgens PlanEnergi sluit deze termijn voor verschillende onderdelen van warmtenetten niet aan bij hun daadwerkelijke economische levensduur.

Zo schat het onderzoeksbureau de economische levensduur van transport- en distributieleidingen op 45 jaar. Voor leidingen in zeerlagetemperatuurwarmtenetten wordt zelfs een termijn van 60 jaar voorgesteld. Ook civiele werken, zoals graafwerkzaamheden en leidingkruisingen, hebben volgens de onderzoekers een economische levensduur van 45 jaar.

Voor andere onderdelen gelden kortere termijnen. Huisaansluitingen hebben volgens het onderzoek een economische levensduur van 25 jaar, terwijl voor commerciële warmtepompen een termijn van 15 jaar wordt gehanteerd. Bij industriële warmtepompen is dat 20 jaar.

Wanneer infrastructuur over een kortere periode wordt afgeschreven dan de economische levensduur, moeten de investeringskosten sneller via de warmtetarieven worden terugverdiend. Hierdoor worden de eerste generaties warmtegebruikers relatief zwaar belast, terwijl latere gebruikers nog jarenlang profiteren van dezelfde infrastructuur.

PlanEnergi adviseert daarom om de afschrijvingstermijnen zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de economische levensduur. Wanneer een maximale termijn van dertig jaar wordt gehandhaafd, is het volgens de onderzoekers belangrijk om rekening te houden met de resterende economische waarde van infrastructuur.

Gelijkmatige verdeling van investeringskosten

Naast de afschrijvingstermijnen onderzocht PlanEnergi vier methoden om de kapitaallasten van warmtenetten over de tijd te verdelen: lineaire, annuïtaire, progressieve en groeiafhankelijke afschrijving.

De onderzoekers adviseren voor reguliere warmtebedrijven de annuïtaire methode. Daarbij blijven de jaarlijkse kapitaallasten, bestaande uit afschrijving en vergoeding voor het geïnvesteerde vermogen, in beginsel gelijk. Naarmate een investering verder wordt afgeschreven, neemt de vergoeding over het resterende vermogen af en het afschrijvingsdeel toe.

Deze methode voorkomt dat de eerste aangesloten huishoudens een relatief groot deel van de investeringskosten moeten dragen. Tegelijkertijd geeft zij warmtebedrijven meer voorspelbaarheid over hun inkomsten dan methoden waarbij een groter deel van de kosten naar de toekomst wordt doorgeschoven.

Groeiafhankelijke afschrijving kan de kosten nog gelijkmatiger over gebruikers verdelen wanneer een warmtenet geleidelijk wordt uitgebreid. Daar staat tegenover dat de terugverdiencapaciteit afhankelijk wordt van het aantal toekomstige aansluitingen. Wanneer de verwachte groei uitblijft, kunnen financiële problemen ontstaan.

De ACM onderschrijft de richting die PlanEnergi voorstelt om de kapitaallasten via een annuïtaire methode eerlijker over generaties warmtegebruikers te verdelen. Voor warmtetransportbeheerder WarmtelinQ Transport Services wordt nog onderzocht hoe bij de afschrijvingsmethode rekening kan worden gehouden met de opstartfase.

Betaalbaarheid tegenover investeringszekerheid

Ook het uitgangspunt om afschrijvingstermijnen te baseren op de economische levensduur wordt door de ACM onderschreven. De toezichthouder benadrukt echter dat de voorgestelde termijnen vanuit Deens perspectief zijn opgesteld. Daarom wordt onderzocht in hoeverre deze aansluiten bij de Nederlandse warmtesector.

Volgens de ACM kunnen langere afschrijvingstermijnen gunstig zijn voor de betaalbaarheid, maar tegelijkertijd ongunstig uitpakken voor de investeringszekerheid. Warmtebedrijven moeten hun investeringen dan immers over een langere periode terugverdienen, terwijl onzekerheden over bijvoorbeeld toekomstige warmtevraag en aansluitingen blijven bestaan.

Lagere jaarlijkse kapitaallasten betekenen bovendien niet automatisch dat de totale warmterekening daalt. Ook de financieringskosten, het aantal aansluitingen en de operationele kosten bepalen uiteindelijk het tarief.

De ACM gebruikt de onderzoeksresultaten bij de verdere uitwerking van de kostengebaseerde tariefregulering. Op 5 november organiseert de toezichthouder een klankbordgroep met organisaties uit de warmtesector. Belanghebbenden kunnen daarnaast tot en met 30 november reageren op de onderzoeken en het standpunt van de ACM. De definitieve afschrijvingstermijnen en -methoden moeten vervolgens in de regelgeving en de methodebesluiten worden vastgelegd.