PBL: klimaatdoel 2030 vrijwel buiten bereik, warmtetransitie helpt maar loopt tegen infrastructuur aan

Terug
14.09.2026 Nieuws
Gijs de Koning Gijs de Koning E-mail Hoofdredacteur
PBL: klimaatdoel 2030 vrijwel buiten bereik, warmtetransitie helpt maar loopt tegen infrastructuur aan

Nederland gaat het klimaatdoel voor 2030 vrijwel zeker niet halen. Volgens de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2026 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is de kans op 55 procent minder broeikasgasuitstoot dan in 1990 kleiner dan 5 procent. De verduurzaming van de gebouwde omgeving draagt wel bij aan de emissiereductie én maakt Nederland minder afhankelijk van geïmporteerde energie. Maar zowel netcongestie als de moeizame aanleg van warmtenetten beperken het tempo waarin Nederland van aardgas kan afstappen.

Met het vastgestelde en voorgenomen beleid daalt de Nederlandse broeikasgasuitstoot in 2030 volgens het PBL met 46 tot 53 procent ten opzichte van 1990. Wanneer ook het aanvullende beleid wordt meegerekend dat concreet genoeg is om door te rekenen, komt de reductie uit op 47 tot 54 procent. In beide gevallen blijft de kans om de beoogde 55 procent te halen kleiner dan 5 procent.

De gebouwde omgeving doet het relatief beter, maar haalt naar verwachting eveneens zijn sectordoel niet. De uitstoot komt in het basispad in 2030 uit op 14,3 megaton CO2-equivalenten, tegenover een doel van 13,2 megaton. Het PBL schat de kans dat dit doel wordt gehaald op ongeveer 25 procent. Met aanvullend beleid stijgt die kans naar circa 30 procent.

Warmtepompen worden belangrijke motor achter emissiedaling

De daling van de uitstoot in woningen en andere gebouwen wordt richting 2030 volgens het PBL vooral veroorzaakt door meer warmtepompen en na-isolatie. Tegelijkertijd daalt het aardgasgebruik. Bij huishoudens gaat het verbruik in de raming van 196 petajoule in 2025 naar gemiddeld 184 petajoule in 2030.

Het aantal warmtepompen groeit daarbij fors. Het PBL verwacht in 2030 ongeveer 620.000 hybride lucht-waterwarmtepompen en 980.000 volledig elektrische lucht-waterwarmtepompen in woningen. Daarnaast groeit het aantal bodem-waterwarmtepompen van 168.000 eind 2025 naar ongeveer 260.000 in 2030. Onzekerheid over netcongestie is expliciet verwerkt in deze ramingen.

Die groei is ook terug te zien in de hoeveelheid hernieuwbare warmte. Het verbruik van hernieuwbare warmte en koude stijgt volgens de KEV van 119 petajoule in 2025 naar circa 196 petajoule in 2030. Het grootste deel van die groei komt van warmtepompen en airconditioners die warmte of koude uit de buitenlucht of bodem benutten.

Warmtetransitie vermindert ook energieafhankelijkheid

Daarmee speelt de warmtetransitie niet alleen een rol bij het verminderen van de CO2-uitstoot. Ze draagt ook bij aan een tweede belangrijke ontwikkeling uit de KEV: Nederland wordt minder afhankelijk van geïmporteerde energie.

In 2025 was 77 procent van het Nederlandse energieverbruik afhankelijk van import. In 2030 daalt dit volgens het PBL naar gemiddeld 67 procent. Het PBL noemt naast meer binnenlands opgewekte zonne- en windenergie expliciet de groei van omgevingswarmte door warmtepompen als belangrijke verklaring voor die daling.

Dat is relevant omdat de uitstoot van de gebouwde omgeving momenteel nog vrijwel volledig samenhangt met aardgasgebruik. In 2025 kwam de uitstoot van de gebouwde omgeving uit op 16,3 megaton CO2-equivalenten en was vrijwel alle CO2-uitstoot afkomstig van aardgas.

Het vervangen van aardgas door elektriciteit en lokaal gewonnen omgevingswarmte vermindert daarmee zowel de uitstoot als de behoefte aan geïmporteerd fossiel gas.

Elektriciteitsnet wordt randvoorwaarde voor warmtepompgroei

Die verschuiving maakt de warmtetransitie echter steeds afhankelijker van het elektriciteitsnet. Het stroomverbruik in de gebouwde omgeving stijgt na 2025, onder meer door de toepassing van meer warmtepompen.

Het PBL neemt netcongestie daarom als onzekere factor mee die de groei van het aantal warmtepompen kan beperken. In bredere zin groeit de vraag naar transportcapaciteit momenteel sneller dan netbeheerders het elektriciteitsnet kunnen uitbreiden. Tekorten aan technisch personeel, vergunningprocedures en schaarste aan materialen en ruimte betekenen dat niet alle gewenste netinvesteringen tijdig kunnen worden uitgevoerd.

Daarmee ontstaat een belangrijk spanningsveld voor de warmtetransitie: verdere elektrificatie van de warmtevoorziening helpt het aardgasgebruik terug te dringen, maar vraagt tegelijkertijd meer van een elektriciteitsnet dat op veel plaatsen al tegen zijn grenzen aanloopt.

Alternatief via warmtenetten komt eveneens langzaam op gang

Collectieve warmte biedt niet overal een snelle uitweg. Volgens het PBL is de beoogde versnelling van warmtenetten in de bestaande bouw nog niet op gang gekomen.

Van de 151 warmtenetprojecten die RVO en het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie in ontwikkeling hebben geïnventariseerd, verwacht het PBL dat tussen 2025 en 2030 ongeveer 100.000 bestaande woningen daadwerkelijk op een warmtenet worden aangesloten. Projecten die nu nog niet in ontwikkeling zijn, kunnen door de lange realisatietijd naar verwachting niet meer vóór 2030 worden opgeleverd.

Bovendien zijn verschillende grote projecten van private warmtebedrijven stilgelegd. Het PBL noemt hoge aanlegkosten, zorgen over de kosten voor bewoners en onzekerheid rond het verplichte publieke meerderheidsbelang onder de Wet collectieve warmte. Gemeenten zetten ondertussen eigen warmtebedrijven op, maar ook dat kost tijd.

Subsidies drukken uitstoot, maar nieuw beleid heeft weinig tijd

Dat bestaand beleid wel degelijk verschil maakt, blijkt uit de vergelijking met de KEV van vorig jaar. In de KEV 2025 werd de uitstoot van de gebouwde omgeving voor 2030 nog geraamd op 15,5 megaton. Dit jaar is dat 14,3 megaton.

Volgens het PBL komt deze verbetering vooral door extra geld voor woningverduurzaming. Voor voortzetting van isolatiesubsidies binnen de ISDE werd circa 790 miljoen euro extra beschikbaar gesteld en voor hybride warmtepompen circa 370 miljoen euro. Daardoor kunnen meer isolatiemaatregelen en hybride en volledig elektrische warmtepompen worden gesubsidieerd.

Nieuw aangekondigd beleid heeft vóór 2030 echter nog maar weinig tijd om effect te sorteren. Zo moet vanaf 2029 bij vervanging van een cv-ketel op veel plekken een hybride warmtepomp of beter worden toegepast, maar de precieze uitwerking en handhaving zijn nog onzeker. Het PBL houdt er zelfs rekening mee dat de normering aan de onderkant van de bandbreedte geen extra warmtepompinvesteringen veroorzaakt.

Ook bij aardwarmte speelt beleidszekerheid een rol. In het basispad gaat het PBL ervan uit dat er vanaf 2027 geen nieuwe SDE++-openstellingen zijn. Daardoor groeit het gebruik van aardwarmte na 2030 slechts beperkt.

De KEV schetst daarmee voor de warmtesector een dubbel beeld. Warmtepompen, isolatie en andere duurzame warmtebronnen drukken het aardgasgebruik en verkleinen tegelijkertijd de Nederlandse afhankelijkheid van geïmporteerde energie. Maar de infrastructuur om die omslag op grote schaal mogelijk te maken blijft achter.