Energiearmoede vraagt om structureel beleid, maar gemeenten missen houvast
Terug
Uit de jaarlijkse monitoring bij gemeenten over de uitvoering van energiearmoedebeleid, uitgevoerd door TNO, blijkt onder meer dat er is geen verbetering in de duidelijkheid van rollen en verantwoordelijkheden van het Rijk, de provincie, en gemeenten. Dat kwam in eerdere onderzoeken ook al naar voren. Ook hebben de gemeenten in grote mate behoefte aan aanvullende middelen om de problemen rond energiearmoede beter het hoofd te bieden.
Het onderzoek, bestaande uit een enquête, is in april van dit jaar ingevuld door beleidsmedewerkers van 196 gemeenten. De oorlog in het Midden-Oosten was toen al volop bezig en er heerste dus grote onduidelijkheid over de wereldwijde energiezekerheid. Dat is volgens TNO goed terug te zien in de antwoorden. De beleidsmedewerkers geven aan dat ze in toenemende ongerustheid tonen over de sociale en financiële gevolgen van energiekosten op kwetsbare huishoudens en hun weerbaarheid.
Voor de enquête zijn meerkeuzevragen ingevuld en die laten zien dat dat er al jaren onduidelijkheid is wie nou welke rol vervult en verantwoordelijkheid heeft op het gebied van de bestrijding van energiearmoede. De rol van de provincie is volgens het onderzoek het meest onduidelijk. Dit jaar is daar geen verbetering in gekomen. De voortgang op het gebied van identificatie en de doelgroep blijft beperkt. En er is ook deze keer weer grote behoefte aan aanvullende middelen, nationale regie, en samenwerking tussen gemeentelijke dossiers.
Uit de monitor blijkt dat er verschillen zijn binnen de antwoorden per grootte van de gemeenten. Zo zijn beleidsmedewerkers uit grotere gemeenten zijn bijvoorbeeld bovengemiddeld positief over de kennis die er in rond dit onderwerp is opgebouwd, de personele capaciteit en de effectiviteit van de instrumenten die er worden ingezet. Ondanks deze positieve ontwikkeling willen grotere gemeenten meer aanvullende middelen van het Rijk ontvangen om energiearmoede te bestrijden. Ook zien ze nog veel verbetermogelijkheden in de samenwerking met wijkteams en uitvoerders.
In kleinere gemeenten zijn de beleidsmedewerkers juist minder positief over de kennisopbouw in hun organisatie en vindt ruim de helft dat er niet genoeg personele capaciteit is. Zij hebben ook veel meer moeite om de mensen die energiearmoede kampen te identificeren en te bereiken.
SPUK-middelen
De gemeenten zijn ook gevraagd naar hoe ver ze zijn met de besteding van Specifieke Uitkeringen (SPUK-middelen) voor energiearmoede, die voor eind 2028 besteed moeten zijn. Het totaalbedrag hiervan is 550 miljoen euro. Deze middelen worden nog maar gestaag uitgegeven door de gemeenten en een groot deel geeft aan dat ze moeite hebben om de deadline van 2028 te halen. Een klein deel van de gemeenten heeft al 60 procent van de SPUK-middelen uitgegeven maar in totaal 83 gemeenten (43 procent van het totaal) zit daar onder.
Deze gemeenten, die minder dan 60 procent van de SPUK-middelen hebben uitgegeven, geven ook een aanzienlijk negatiever beeld van de voortgang binnen hun eigen organisatie dan de anderen. Ze hebben minder vertrouwen dat continuïteit in kennis en capaciteitsopbouw kunnen worden gewaarborgd, en hebben minder vertrouwen dat energiearmoede voldoende prioriteit krijgt binnen hun organisatie voor de (middel)lange termijn.
TNO geeft aan dat ze in de vorige editie van de monitor zagen dat witgoedregelingen en energiehulp populair zijn rond SPUK-middelen. Deze twee instrumenten komen ook in deze editie duidelijk naar voren als populair. Daarnaast is samenwerking met de woningcorporatie zeer belangrijk en gewild.
Bij de open vragen antwoorden beleidsmedewerkers dat de SPUK-regeling vooral een middel is om op de korte termijn resultaten te boeken, maar dat er juist ook behoefte bestaat aan een langetermijnvisie en structurele aanpak. De beleidsmedewerkers gaven dus aan dat vooral de rol van de provincie bij energiearmoede onduidelijk is, ze geven aan dat er op dit vlak een kans ligt voor hen om een grotere rol te gaan spelen.
Wat is er nodig voor structurele verandering?
TNO heeft de gemeenten in deze editie, die voortaan jaarlijks verschijnt in plaats van elk half jaar, naar verbetering van weerbaarheid en de rol van de warmtewet daarin. Ook hier wordt het bereiken van de doelgroep weer als grootste uitdaging benoemd. De mensen zijn niet in beeld bij de gemeentelijke loketten, niet in de beschikbare data en melden zichzelf ook niet aan bij de instanties. Een groep beleidsmedewerkers heeft ook kritiek op het ad hoc karakter van de SPUK-middelen.
De Wet Collectieve Warmte wordt nog dit jaar verder uitgewerkt en moet per 1 januari 2027 in werking treden. In de wet worden randvoorwaarden rondom thema’s als marktordening en de rol van de gemeente, tariefregulering en transparantie, verduurzaming, en consumentenbescherming vastgesteld.
Maar uit de monitor blijkt dat een vrij grote groep niet bekend is met de inhoud van de WCW en zij die wel inhoudelijk op de hoogte zijn wijzen erop dat een aantal zaken onvoldoende is uitgewerkt om hun zorgen weg te nemen. “Er zijn met name zorgen over de onduidelijkheid rondom het begrip betaalbaarheid”, schrijft TNO. “Een deel van de respondenten is voorzichtig optimistisch, maar geeft wel aan dat de WCW alleen relevant is bij warmtenetten en dat het alleen de weerbaarheid van huishoudens kan vergroten in combinatie met woningverbetering.”
Structurele verbetering van weerbaarheid vraagt om langdurige begeleiding van huishoudens, integratie van energie-, woon- en sociaal beleid en een stabiel, voorspelbaar beleidskader. Of, zoals de monitor impliciet laat zien: energiearmoede is geen tijdelijk probleem, maar vraagt om een structurele plek in de energietransitie.





























