Hoe groot is het probleem van overdimensionering bij warmtepompen?
Terug
De nieuwste Installatiemonitor 3.0 van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) schetst dat ruim de helft van de onderzochte warmtepompen minder dan 50 procent van het beschikbare vermogen structureel benut. 28 procent gebruikt ook bij lagere buitentemperaturen een aanzienlijk deel van het nominale vermogen. Volgens het rapport leidt overdimensionering tot een lagere seizoensprestatie (SCOP): bij hybride systemen daalt deze gemiddeld van 3,3 naar 2,7 en bij all-electric warmtepompen van 3,8 naar 3,0.
Voor Tolboom zijn dat interessante observaties, maar hij waarschuwt ervoor om de cijfers niet zonder context te interpreteren. "Ik denk dat veel mensen vooral aanslaan op 55 procent. Dat klinkt alsof de meerderheid van de warmtepompen verkeerd is gekozen. Maar zo simpel ligt het niet."
Niet iedere grote warmtepomp is verkeerd gedimensioneerd
Volgens Tolboom maakt de monitor onvoldoende onderscheid tussen een warmtepomp die daadwerkelijk te groot is en een woning die simpelweg weinig warmte nodig heeft. "Een goed geïsoleerde woning vraagt soms nog maar heel weinig verwarmingsvermogen. Maar diezelfde woning heeft wél voldoende warm tapwater nodig. De warmtepomp wordt dus niet alleen gekozen op basis van de warmtevraag van de woning, maar ook op basis van de tapwatervoorziening."
Daardoor kan een warmtepomp in de praktijk veel minder vermogen gebruiken voor ruimteverwarming, terwijl de gekozen capaciteit technisch gezien toch logisch is. "In veel woningen is verwarmen helemaal niet meer de grootste uitdaging. Het gaat juist om voldoende douchewater kunnen maken. Dan lijkt een warmtepomp overgedimensioneerd, terwijl dat in werkelijkheid niet per se zo is."
Slimme meterdata blijft een benadering
Tolboom plaatst ook kanttekeningen bij de gebruikte onderzoeksmethode. De Installatiemonitor combineert slimme meterdata van ruim 6.000 woningen met aanvullende woning- en installatiegegevens. Omdat een slimme meter alleen het totale elektriciteitsverbruik registreert, moeten onderzoekers met modellen bepalen welk deel van het verbruik afkomstig is van de warmtepomp. Voor de prestaties van warmtepompen is daarnaast gebruikgemaakt van gegevens uit een andere dataset. "Dat is eigenlijk het beste wat we op dit moment hebben. Je kunt geen data creëren die er niet is. Maar daardoor moet je ook voorzichtig zijn met hoe hard je conclusies formuleert."
Volgens hem doet dat niets af aan de waarde van het onderzoek. "Ik vind het goed dat deze analyse is gemaakt. Er zitten echt interessante inzichten in. Alleen zou ik sommige conclusies iets voorzichtiger formuleren."
Subsidie stuurt op vermogen
Waar Tolboom zich meer zorgen over maakt, is het beleid achter de cijfers. Volgens hem stimuleert de huidige ISDE-subsidie onbedoeld het plaatsen van grotere warmtepompen, omdat de subsidie gekoppeld is aan het vermogen van de installatie. "Er zit een perverse prikkel in het systeem. Een grotere warmtepomp levert meer subsidie op. Dan is het voor een installateur heel gemakkelijk om te zeggen: doe maar een maatje groter. De klant krijgt het niet koud en de subsidie valt hoger uit."
Volgens hem is dat geen verwijt aan installateurs. "Installateurs handelen binnen de kaders die de overheid heeft gemaakt. Als die kaders de verkeerde prikkels geven, krijg je dit soort uitkomsten."
Niet de techniek, maar de regels
Tolboom wijst erop dat Nederland weinig eisen stelt aan de kwaliteit van de installatie. Zo is een verplichte warmteverliesberekening, zoals die in Engeland geldt, hier niet verplicht. Tevens kan dan weer getoetst worden wat het verschil is tussen het berekende warmteverlies en het werkelijke warmteverlies, omdat we weten dat ook hier in de praktijk afwijkingen in zitten. "In Engeland maak je die fout veel minder snel, omdat je vooraf moet aantonen welk vermogen een woning nodig heeft. Daar wordt installatiekwaliteit veel sterker gereguleerd.
Volgens hem laten de resultaten van de Installatiemonitor daarom vooral zien dat het beleid beter kan. "Wat je uiteindelijk meet, is niet alleen de techniek. Je meet vooral hoe die techniek wordt toegepast. En dat is een gevolg van beleid."
Van productsubsidie naar systeemsubsidie
Tolboom ziet liever een fundamenteel andere manier van subsidiëren. "In plaats van een subsidie op het vermogen van de warmtepomp zou ik veel liever een systeemsubsidie zien."
Daarmee wordt niet alleen de warmtepomp beloond, maar ook onderdelen die volgens hem minstens zo belangrijk zijn voor de prestaties, zoals het afgiftesysteem en het waterzijdig inregelen. "Een warmtepomp werkt niet zonder een goed verwarmingssysteem. Beloon daarom het complete systeem in plaats van alleen het apparaat."
Volgens hem verdwijnt daarmee automatisch een belangrijke prikkel om warmtepompen groter te kiezen dan noodzakelijk.
Goede signalen voor nieuw beleid
Ondanks zijn nuances ziet Tolboom de Installatiemonitor vooral als een waardevolle bron voor beleidsmakers. "De monitor laat zien waar het systeem schuurt. Gebruik die inzichten dan ook om het beleid aan te passen."
Volgens hem moet de discussie daarom niet blijven hangen bij de vraag of warmtepompen te groot zijn. "De belangrijkste les is niet dat warmtepompen slecht presteren. De belangrijkste les is dat we veel beter moeten kijken naar installatiekwaliteit, dimensionering en de manier waarop we de energietransitie hebben ingericht."























