DDA: aansluiting op warmtenetten grootste obstakel voor benutting restwarmte datacenters

Terug
06.11.2026 Hoofdartikel
Gijs de Koning Gijs de Koning E-mail Hoofdredacteur
DDA: aansluiting op warmtenetten grootste obstakel voor benutting restwarmte datacenters

Datacenters kunnen met hun restwarmte een belangrijke bijdrage leveren aan de verduurzaming van de Nederlandse warmtevoorziening. Toch blijft een groot deel van het potentieel onbenut. Niet de beschikbaarheid van restwarmte, maar de aansluiting op warmtenetten, netcongestie en onzekerheid over investeringen vormen de belangrijkste obstakels. Dat blijkt uit een nieuw rapport van de Dutch Data Center Association (DDA), die gemeenten, warmtebedrijven en datacenters oproept om eerder samen te werken.

In het rapport Datathermics: Bringing Data Centers and Heat Networks Together onderzoekt de DDA welke factoren het hergebruik van datacenterwarmte belemmeren. De brancheorganisatie sprak hiervoor met gemeenten, datacenteroperators en warmtebedrijven. De belangrijkste conclusie is dat datacenters en warmtenetten vaak onafhankelijk van elkaar worden ontwikkeld, terwijl een succesvolle koppeling juist om gezamenlijke planning vraagt.

Datacenters produceren het hele jaar door warmte bij het koelen van servers. Deze warmte kan worden gebruikt voor het verwarmen van woningen, kantoren, bedrijven en kassen. Daarvoor moet de warmte echter worden teruggewonnen, waar nodig met een warmtepomp op een hogere temperatuur worden gebracht en via leidingen naar afnemers worden getransporteerd.

Zelfs gratis restwarmte niet altijd rendabel

Volgens de DDA vormen vooral de kosten van deze infrastructuur een obstakel. De afstand tussen een datacenter en de potentiële afnemers bepaalt voor een belangrijk deel de benodigde investering. Hoe langer de transportleidingen, hoe moeilijker het wordt om de warmte concurrerend aan te bieden.

Zelfs wanneer een datacenter zijn restwarmte gratis beschikbaar stelt, kunnen de kosten voor het terugwinnen, opwaarderen en transporteren ervan hoger uitvallen dan die van alternatieve warmtebronnen.

Ook bestaande installaties zijn niet altijd geschikt voor warmtelevering. Oudere datacenters beschikken bijvoorbeeld niet altijd over de benodigde leidingen, warmtewisselaars of geschikte koelinstallaties. Bestaande warmtenetten zijn bovendien ontworpen voor specifieke temperaturen en warmtebronnen, waardoor aanpassingen kostbaar kunnen zijn.

Netcongestie belemmert inzet warmtepompen

Een ander belangrijk knelpunt is netcongestie. Omdat datacenterwarmte vaak een relatief lage temperatuur heeft, zijn warmtepompen nodig om de warmte geschikt te maken voor de beoogde toepassing. Het verkrijgen van voldoende elektriciteitscapaciteit voor deze installaties blijkt volgens de DDA een van de grootste belemmeringen.

De brancheorganisatie ziet verschillende mogelijkheden om dit probleem te beperken. Zo kan in sommige gevallen ongebruikte capaciteit op de bestaande elektriciteitsaansluiting van een datacenter worden benut. Voorwaarde is wel dat de bedrijfsvoering van het datacenter niet in gevaar komt en de capaciteit beschikbaar blijft wanneer deze voor de servers nodig is.

Daarnaast kunnen warmtenetten met lagere aanvoertemperaturen de elektriciteitsvraag van warmtepompen beperken. Ook het aansluiten van nabijgelegen afnemers kan de benodigde infrastructuur en daarmee de investeringskosten verminderen.

Nieuwe warmtewetgeving biedt kansen, maar veroorzaakt ook onzekerheid

Met de verwachte inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte (Wcw) en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) op 1 januari 2027 ontstaat volgens de DDA een belangrijk moment om datacenterwarmte structureel onderdeel te maken van lokale warmteplannen.

Gemeenten moeten in 2027 warmteprogramma's vaststellen waarin zij aangeven wanneer en hoe wijken van het aardgas afgaan. De DDA pleit ervoor om daarbij vroegtijdig te onderzoeken welke datacenters restwarmte beschikbaar kunnen stellen en waar geschikte afnemers zich bevinden.

De Wcw bevat daarnaast bepalingen die producenten verplichten om anders ongebruikte restwarmte onder voorwaarden beschikbaar te stellen aan warmtebedrijven. Daarbij mogen producenten bepaalde noodzakelijke kosten voor het mogelijk maken van die levering in rekening brengen.

Tegelijkertijd constateert de brancheorganisatie dat de overgang naar een warmtevoorziening met overwegend publiek eigendom voor onzekerheid zorgt. Private warmtebedrijven zijn terughoudend met investeringen in infrastructuur die zij mogelijk later moeten overdragen. Gemeenten zijn ondertussen nog bezig met het bepalen van warmtekavels en de inrichting van publieke warmtebedrijven.

Verschillende levensduren maken afspraken ingewikkeld

Naast de technische en financiële obstakels wijst de DDA op een verschil in investeringscycli. Waar een warmtenet tientallen jaren mee kan gaan, worden de technische installaties van een datacenter veel vaker vernieuwd.

Dat maakt langdurige leveringsafspraken ingewikkeld. Warmtebedrijven willen zekerheid over toekomstige warmtevolumes, terwijl datacenters niet altijd kunnen garanderen hoeveel warmte zij op lange termijn produceren. De hoeveelheid restwarmte is immers afhankelijk van de benutting en ontwikkeling van het datacenter.

De DDA adviseert daarom om afspraken te maken over realistische warmteprognoses en de omgang met veranderingen in vraag en aanbod. Warmtebedrijven moeten daarnaast rekening houden met back-upcapaciteit en bij voorkeur meerdere warmtebronnen inzetten om de leveringszekerheid te waarborgen.

"Nederlandse projecten laten al zien hoe datacenterwarmte lokaal kan worden benut. Om meer projecten te realiseren, moeten we vroegtijdig afspreken wie de warmte gaat gebruiken, wie investeert en hoe betrokken partijen omgaan met veranderingen gedurende de looptijd", aldus Stijn Grove, directeur van de DDA.

Nederlandse projecten tonen mogelijkheden

Dat hergebruik van datacenterwarmte in de praktijk mogelijk is, blijkt uit verschillende Nederlandse projecten. In Groningen levert QTS restwarmte aan het warmtenet van WarmteStad, waarmee duizenden woningen en andere gebouwen worden verwarmd. Op het Amsterdam Science Park wordt warmte van Nikhef benut voor ongeveer 1.300 studentenwoningen en verschillende onderwijs- en onderzoeksgebouwen.

Ook buiten grootschalige warmtenetten zijn toepassingen te vinden. Zo levert Smartdc sinds 2023 warmte aan de Rotterdamse Van Nelle Fabriek, waar meer dan honderd bedrijven zijn gevestigd. Previder levert via een ondergrondse verbinding van ongeveer 300 meter restwarmte aan de fabriek van NX Filtration, waar deze wordt gebruikt in productieprocessen.

Volgens de DDA zijn directe warmteleveringen aan nabijgelegen bedrijven momenteel zelfs de meest gerealiseerde vorm van datathermie in Nederland. Doordat er minder partijen bij betrokken zijn en geen volledig nieuw warmtenet hoeft te worden aangelegd, zijn dergelijke projecten doorgaans eenvoudiger te realiseren.

Voor grotere projecten blijft vroegtijdige samenwerking volgens de brancheorganisatie echter doorslaggevend. De DDA adviseert gemeenten, warmtebedrijven en datacenters daarom om al bij de eerste plannen afspraken te maken over de beschikbare warmte, benodigde elektriciteitscapaciteit, investeringen en verantwoordelijkheden.

Het volledige rapport Datathermics: Bringing Data Centers and Heat Networks Together is gepubliceerd door de Dutch Data Center Association.