Onderzoek: WarmtelinQ voordeligst voor bestaande netten, hybride goedkoopst bij nieuwe aansluitingen

Terug
22.07.2026 Hoofdartikel
Gijs de Koning Gijs de Koning E-mail Hoofdredacteur
Onderzoek: WarmtelinQ voordeligst voor bestaande netten, hybride goedkoopst bij nieuwe aansluitingen
©Gasunie

Restwarmte via WarmtelinQ levert volgens een nieuwe vergelijking de laagste nationale kosten op voor het verduurzamen van bestaande warmtenetten in Zuid-Holland. Voor woningen die nog op een warmteoplossing moeten worden aangesloten, komt de hybride warmtepomp in de basisberekening als goedkoopste uit de bus. De verschillen tussen de onderzochte scenario’s vallen echter grotendeels binnen de onzekerheidsmarges.

Het onderzoek is uitgevoerd door Fakton Energy en Haskoning in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De onderzoekers vergelijken warmtevoorziening via WarmtelinQ met lokale geothermie, buurtwarmtepompen, individuele all-electric warmtepompen en hybride warmtepompen. De analyse omvat circa 120.000 woning-equivalenten langs het geplande tracé tussen Rotterdam, Den Haag en Leiden.

Bestaande netten: voordeel door reeds genomen besluiten

Voor de circa 56.000 woning-equivalenten die al op een warmtenet zijn aangesloten, scoort WarmtelinQ het beste. Daarbij geldt wel een belangrijke methodologische kanttekening. De investeringsbesluiten voor de transportleiding en de uitkoppeling van restwarmte voor deze bestaande netten zijn al genomen. De onderzoekers behandelen die investeringen daarom als verzonken kosten en tellen ze niet opnieuw mee.

Het alternatief, het ontwikkelen van lokale geothermiebronnen, vraagt nog wel nieuwe investeringen. Ook na een correctie voor mogelijke schaalvoordelen bij geothermie blijft WarmtelinQ volgens het rapport de optie met de laagste nationale kosten. Daarnaast kan restwarmte via de transportleiding de bestaande warmtenetten eerder verduurzamen, omdat nieuwe geothermiebronnen eerst moeten worden ontwikkeld.

Hybride warmtepomp goedkoopst, maar uitkomst onzeker

Voor circa 63.000 nieuw aan te sluiten woning-equivalenten ziet het kostenbeeld er anders uit. De netto contante nationale kosten over dertig jaar bedragen in de basisberekening 1,635 miljard euro voor het hybride scenario. Daarna volgen buurtwarmtepompen met 1,747 miljard euro, all-electric warmtepompen met 1,863 miljard euro, WarmtelinQ met 1,877 miljard euro en geothermie met 2,006 miljard euro.

Deze rangorde is niet hard. De kostenramingen hebben een onzekerheidsmarge van ongeveer 30 procent, waardoor de bandbreedtes elkaar overlappen. Bovendien gaat het om nationale kosten, niet om de energierekening of investering van een huishouden. Belastingen en subsidies zijn buiten beschouwing gelaten.

Het hybride scenario profiteert van het bestaande gasnet en vraagt relatief beperkte extra investeringen in het elektriciteitsnet. Tegelijk is deze optie het gevoeligst voor de toekomstige prijs en beschikbaarheid van groen gas. Volgens het rapport is inzet van schaars groen gas juist minder logisch in dichtbebouwde buurten met een hoge warmtevraag, waar collectieve warmte vaak kosteneffectiever is.

WarmtelinQ legt minste druk op elektriciteitsnet

Alle vijf scenario’s zijn volgens de onderzoekers technisch haalbaar, maar de uitvoeringsrisico’s verschillen. WarmtelinQ vraagt van de onderzochte opties de minste extra elektriciteit en is daardoor het minst kwetsbaar voor netcongestie. Bij buurtwarmtepompen kan het benodigde vermogen op enkele locaties juist een knelpunt vormen. In delen van het onderzoeksgebied zouden nieuwe aansluitingen daardoor mogelijk tot 2035 moeten wachten.

Ook geothermie en warmteoverdrachtstations hebben elektriciteitsaansluitingen nodig. Daarnaast kent geothermie ontwikkelrisico’s rond boringen, bronvermogen en planning. WarmtelinQ scoort volgens het rapport eveneens het beste op ruimtelijke inpasbaarheid, omdat een groot deel van de transportinfrastructuur en locaties al is vastgelegd. Individuele warmtepompen vragen daarentegen meer ruimte in woningen en meer uitbreiding van lokale elektriciteitsinfrastructuur.

Restwarmte blijft geen risicoloze bron

De onderzoekers plaatsen ook kanttekeningen bij de beschikbaarheid van industriële restwarmte. Bedrijven in de Rotterdamse haven kunnen warmte zelf gaan benutten, processen efficiënter maken of productie aanpassen. Uitkoppeling voor de gebouwde omgeving concurreert bovendien met investeringen in het primaire productieproces. De aanwezigheid van voldoende technisch warmtepotentieel betekent daarom niet automatisch dat deze warmte tijdig en tegen voorspelbare kosten beschikbaar komt.

Tegelijk kan een regionale transportleiding volgens het rapport lokale bronnen juist versterken. WarmtelinQ kan warmteclusters verbinden en geothermie gefaseerd laten meegroeien. Daarmee is de keuze volgens de onderzoekers niet noodzakelijk restwarmte óf geothermie, maar kan een combinatie op regionale schaal robuuster zijn.

Tempo bepaalt klimaatwinst

In de gehanteerde planning zorgen WarmtelinQ en geothermie voor de snelste daling van de CO₂-uitstoot bij nieuwe aansluitingen. Dat voordeel is sterk afhankelijk van het aansluittempo. Wanneer de uitrol van WarmtelinQ pas in 2034 begint, valt de totale uitstoot over de onderzoeksperiode hoger uit dan bij geothermie en all-electric warmtepompen.

De studie maakt daarmee vooral duidelijk dat geen enkele techniek op alle criteria wint. Voor bestaande warmtenetten komt WarmtelinQ duidelijk als voorkeursoptie naar voren. Bij nieuwe aansluitingen hangt de keuze sterker af van groen gas, netcapaciteit, ruimte, bronbeschikbaarheid en de snelheid waarmee gemeenten en warmtebedrijven voldoende woningen kunnen aansluiten.