Adviseurs pleiten voor clusterdeals om vastgelopen uitrol warmtenetten los te trekken

Terug
08.07.2026 Hoofdartikel
Gijs de Koning Gijs de Koning E-mail Hoofdredacteur
Adviseurs pleiten voor clusterdeals om vastgelopen uitrol warmtenetten los te trekken

De uitrol van collectieve warmtenetten in de bestaande bouw komt niet op gang met het huidige subsidiebeleid. Daarom adviseren AT Osborne en Rebel om grote warmteclusters meerjarige afspraken met het Rijk te laten sluiten. Met die zogeheten clusterdeals moet collectieve warmte sneller, betaalbaarder en beter uitvoerbaar worden.

Dat staat in het eindrapport De Clusteraanpak Collectieve Warmte, dat in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat is opgesteld. Volgens de onderzoekers sluiten bestaande regelingen, waaronder de Warmtenetten Investeringssubsidie, onvoldoende aan bij wat grootschalige warmteprojecten nodig hebben. Daardoor blijven projecten steken in planvorming en wordt subsidiegeld niet volledig benut.

Van losse projecten naar gebiedsaanpak

De voorgestelde clusteraanpak richt zich niet op afzonderlijke warmtenetprojecten, maar op geografisch samenhangende gebieden waar collectieve warmte op termijn een belangrijke rol kan spelen. Het Rijk zou met zulke clusters afspraken moeten maken voor een periode van acht tot tien jaar.

In een clusterdeal worden afspraken vastgelegd over het aantal te realiseren aansluitingen, de benodigde systeeminvesteringen, de rolverdeling tussen overheden, warmtebedrijven en woningcorporaties en de manier waarop partijen leren en kosten verlagen. De onderzoekers adviseren om minimaal 5.000 aansluitingen in de bestaande bouw als ondergrens te hanteren.

Daarmee verschuift de aanpak van kortlopende projectsubsidies naar programmatische financiering. Dat moet warmtebedrijven en gemeenten voldoende zekerheid geven om investeringsbesluiten te nemen, aannemers langjarig te contracteren en bewoners een concreet aanbod te doen.

Betaalbaar aanbod als vertrekpunt

Een belangrijk verschil met het huidige beleid is dat de betaalbaarheid voor bewoners niet als uitkomst van de businesscase wordt gezien, maar als vertrekpunt. Volgens de onderzoekers moet eerst nationaal worden vastgesteld wat een aantrekkelijk aanbod voor eindgebruikers is. Daarna kan worden berekend hoeveel subsidie per aansluiting nodig is.

Daarbij gaat het niet alleen om de aansluitbijdrage of het warmtetarief, maar ook om kosten achter de voordeur. Denk aan inpandige aanpassingen, werkzaamheden in woningen en ontzorging van bewoners, Verenigingen van Eigenaars en verhuurders.

Volgens het rapport is dit zeer belangrijk voor het draagvlak van warmtenetten. Zonder aantrekkelijk aanbod blijft de deelnamebereidheid laag, waardoor warmtenetten duurder worden en de businesscase verder onder druk komt te staan.

Subsidiebehoefte fors hoger dan nu

De onderzoekers rekenen met een gemiddelde subsidiebehoefte van 20.000 tot 30.000 euro per aansluiting. Daarin zitten zowel investeringen in warmte-infrastructuur als inpandige kosten. Dat bedrag ligt aanzienlijk hoger dan wat binnen het huidige instrumentarium beschikbaar is.

Voor 80.000 extra aansluitingen in 2035 zou volgens het rapport circa 200 miljoen euro per jaar nodig zijn, verdeeld over twee tot vier clusterdeals. Bij 200.000 extra aansluitingen loopt dat op naar circa 500 miljoen euro per jaar. Kostenreducties door schaalvoordelen zijn daarin nog niet meegerekend.

De onderzoekers zien die hogere subsidie niet als eindbeeld, maar als noodzakelijke investering om de markt in beweging te krijgen. Door meer continuïteit in de uitvoering, standaardisatie en gezamenlijke leerprogramma’s zouden kosten op termijn moeten dalen.

Selectie van kansrijke warmteclusters

In het rapport worden 23 potentiële warmteclusters genoemd. Daarvan zouden volgens een eerste inventarisatie 10 tot 16 clusters op termijn geschikt kunnen zijn voor een clusterdeal. Zeven clusters voldoen nu al aan de voorlopige kernindicatoren, waaronder de aanwezigheid van een warmtebedrijf, een gepland investeringsbesluit voor meer dan 4.000 aansluitingen vóór 2028 en een opschalingspotentieel van meer dan 40.000 aansluitingen richting 2050.

Voor de uiteindelijke selectie adviseren de onderzoekers een onafhankelijke commissie. Die zou moeten kijken naar maatschappelijke waarde, uitvoerbaarheid, betaalbaarheid, bijdrage aan het energiesysteem en het vermogen om netcongestie te vermijden.

Nieuwe stap vraagt politieke keuze

De clusteraanpak vraagt om een duidelijke keuze van het Rijk. Het huidige beleid stuurt vooral op doelmatigheid per aansluiting, terwijl volgens de onderzoekers juist doelbereik ontbreekt. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel Wet collectieve warmte op 10 juni 2026 aan; daarmee verschuift de aandacht steeds meer naar de uitvoerbaarheid van collectieve warmte in de praktijk.

Of de clusteraanpak er komt, hangt uiteindelijk af van de bereidheid om voor langere tijd budget vast te leggen. Zonder die zekerheid blijven veel warmteclusters afhankelijk van losse regelingen en tijdelijke besluitvorming. Daarmee dreigt de opschaling van collectieve warmte opnieuw vooruit te worden geschoven.