Kostengebaseerde warmtetarieven kunnen rekening voor helft afnemers verhogen
Terug
De overstap naar kostengebaseerde tarieven voor warmtenetten kan grote verschillen veroorzaken tussen huishoudens. Ongeveer de helft van de afnemers zou meer betalen dan onder de huidige koppeling met de gasprijs. Voor de tien procent sterkste stijgers kan de rekening gemiddeld met 71 procent toenemen, blijkt uit onderzoek van ACM-economen Lars Wittrock en Paul Adriaansen.
De onderzoekers simuleerden wat er zou zijn gebeurd als de nieuwe tariefsystematiek al in 2024 was toegepast. De tien procent afnemers met de grootste daling zou gemiddeld 29 procent minder hebben betaald. Aan de andere kant zou de tien procent met de grootste stijging jaarlijks ruim 740 euro meer kwijt zijn geweest.
Het gaat nadrukkelijk niet om een voorspelling van toekomstige warmtetarieven. De berekeningen zijn gebaseerd op de kosten en opbrengsten van warmtenetten in 2024. Bovendien moet de precieze methode waarmee de Autoriteit Consument & Markt straks de kostengebaseerde tarieven vaststelt nog worden uitgewerkt.
Van gasreferentie naar lokale kosten
De huidige maximumtarieven voor collectieve warmte zijn grotendeels gebaseerd op het niet-meer-dan-andersprincipe. Dit betekent dat een huishouden met een warmteaansluiting in beginsel niet meer mag betalen dan een vergelijkbaar huishouden met een gasaansluiting en cv-ketel.
De Wet collectieve warmte maakt het mogelijk deze gasreferentie op termijn los te laten. In plaats daarvan worden tarieven gebaseerd op de werkelijke, efficiënte kosten van het afzonderlijke warmtenet, inclusief een redelijk rendement voor het warmtebedrijf. De wet is op 9 december 2025 aangenomen door de Eerste Kamer en in januari 2026 gepubliceerd, maar treedt gefaseerd in werking. De kostengebaseerde tariefregulering wordt pas ingevoerd wanneer de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte voldoende is gewaarborgd.
Het voordeel van de nieuwe systematiek is dat afnemers niet langer betalen op basis van ontwikkelingen op de landelijke gasmarkt die weinig met de kosten van hun eigen warmtenet te maken hebben. Tegelijkertijd verdwijnt daarmee de landelijke uniformiteit.
De kosten van warmtenetten verschillen onder meer door de gebruikte warmtebron, het temperatuurniveau, de omvang en leeftijd van het net, de toegepaste techniek en de inkoopstrategie. De ACM registreerde over 2024 alleen al 33 grote warmtenetten van negen vergunninghoudende leveranciers. Rendementen van leveranciers liepen dat jaar uiteen van min 56 tot plus 15 procent.
Gebonden afnemers kunnen niet overstappen
Grote lokale tariefverschillen zijn extra gevoelig omdat warmtegebruikers doorgaans niet van leverancier kunnen wisselen. Zij zijn gebonden aan het warmtebedrijf dat het lokale netwerk exploiteert. In 2024 waren volgens de ACM ruim 700.000 Nederlandse huishoudens direct of indirect aangesloten op een warmtenet van een vergunninghoudende leverancier.
Zonder aanvullende bescherming kan de rekening daardoor sterk worden bepaald door de technische en financiële eigenschappen van het net waarop een woning toevallig is aangesloten. Vooral bij bestaande sociale huurwoningen, appartementencomplexen en wijken waar bewoners weinig alternatieven hebben, kan dat het draagvlak voor collectieve warmte verder onder druk zetten.
Tarieflimiet en prijsgarantie
De onderzoekers hebben daarom verschillende vormen van flankerend beleid doorgerekend. Een daarvan is een tarieflimiet, waarbij het tarief van een duur warmtenet niet boven een bepaald percentage van het gemiddelde tarief mag uitkomen. De extra kosten worden dan via verevening verdeeld over andere warmteafnemers.
Daarnaast is gekeken naar een prijsgarantie, waarbij de overheid bijspringt wanneer een warmtenet zijn kosten niet kan terugverdienen binnen een vastgesteld maximumtarief. Ook analyseerden de onderzoekers een non-profitmodel, dat de financieringskosten van warmtebedrijven zou kunnen verlagen. Zo’n model staat momenteel niet op de Nederlandse beleidsagenda, maar is geïnspireerd op onder meer de Deense warmtesector.
In een gecombineerde variant hanteren de onderzoekers een tarieflimiet van 125 procent van het gemiddelde tarief, een prijsgarantie van 60 euro per gigajoule en lagere vermogenskosten op non-profitniveau. De gemiddelde kostengebaseerde warmterekening zou in deze simulatie negen procent lager uitvallen dan de rekening onder de gasreferentie. Toch zou nog altijd 23 procent van de afnemers meer betalen.
De analyse laat daarmee zien dat de overgang naar kostengebaseerde tarieven niet alleen een technische wijziging van de tariefregulering is. De politiek zal ook moeten bepalen wie de kosten van relatief dure warmtenetten draagt: de betreffende afnemers, andere warmtegebruikers, de overheid of de aandeelhouders van warmtebedrijven. Zonder zo’n keuze dreigt de nieuwe systematiek de betaalbaarheid voor een aanzienlijke groep huishoudens juist te verslechteren.
























