Onderzoek toont grote prestatiekloof tussen warmtepompen door ontwerp en inregeling

02.02.2026 Sjoerd Rispens

Onderzoek toont grote prestatiekloof tussen warmtepompen door ontwerp en inregeling

Uit nieuw Engels onderzoek, gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Energy and Buildings, blijkt dat er een opvallend grote kloof bestaat tussen goed en slecht presterende warmtepompsystemen, met grote gevolgen voor energiekosten, CO2-uitstoot en consumentenvertrouwen. De efficiëntie van warmtepompen hangt sterk af van de inregeling en dimensionering.

De studie vergelijkt twee grote datasets met praktijkgegevens van warmtepompen in het Verenigd Koninkrijk. Enerzijds is er HeatpumpMonitor.org, een open-source platform waarop geïnteresseerde huishoudens hun warmtepomp gedetailleerd monitoren en data delen. Anderzijds is er de door de overheid gesteunde Electrification of Heat (EOH) trial, een grootschalig demonstratieproject met honderden installaties in doorsnee woningen.

De onderzoekers gebruiken de Seasonal Performance Factor (SPF) als belangrijkste maatstaf. Die geeft aan hoeveel warmte een warmtepomp gemiddeld levert per eenheid elektriciteit over een heel jaar. Vuistregel hierbij is: hoe hoger de SPF, hoe efficiënter het systeem.

Het verschil tussen beide datasets is opvallend te noemen. Warmtepompen in de HeatpumpMonitor-dataset behalen gemiddeld een SPF van ongeveer 3,9. Dat betekent dat ze bijna vier keer zoveel warmte leveren als de gebruikte elektriciteit. In de EoH-trial ligt het gemiddelde op slechts 2,8. Dat lijkt misschien een klein verschil, maar het effect is groot, want bij een lage SPF kunnen de verwarmingskosten zelfs hoger uitvallen dan bij een moderne gasketel, zeker bij de huidige elektriciteitsprijzen.

Het probleem zit niet in de technologie

Volgens de onderzoekers ligt de oorzaak van deze kloof in prestaties niet bij de warmtepomp als technologie, maar bij de manier waarop systemen worden ontworpen, ingesteld en gebruikt. De best presterende installaties zijn geen prototypes waar iets heel bijzonders mee is gedaan, maar simpelweg gewone warmtepompen die slim zijn ontworpen en goed zijn afgesteld.

Een van de belangrijkste factoren is de aanvoertemperatuur van het verwarmingssysteem. Veel warmtepompen draaien in de praktijk op relatief hoge temperaturen van 45 tot 50 graden Celsius. Dat verlaagt de efficiëntie aanzienlijk. Bij de warmtepompen die het beste presteren ligt de aanvoertemperatuur vaak onder de 40 graden, wat aantoonbaar gunstiger is voor het rendement.

Warmtepompen werken daarnaast het efficiëntst wanneer ze continu kunnen moduleren en hun vermogen aanpassen aan de warmtevraag. Maar in veel woningen gebeurt het tegenovergestelde. Systemen schakelen vaak aan en dan weer uit, of ze zijn ingesteld met onjuiste weersafhankelijke regelcurves. Dat leidt tot onnodig energieverlies en extra slijtage.

In de EoH-trial zijn warmtepompen regelmatig overgedimensioneerd, verkeerd hydraulisch ingeregeld of onvoldoende afgestemd op het afgiftesysteem in de woning. Radiatoren zijn bijvoorbeeld niet altijd geschikt gemaakt voor lage temperaturen, waardoor de warmtepomp harder moet werken dan nodig is.

De warmtepompen in de HeatpumpMonitor-dataset zijn daarentegen vaak geïnstalleerd door gespecialiseerde installateurs of actief geoptimaliseerd door de bewoners zelf. Dat verklaart deels waarom deze systemen structureel beter presteren. Het onderzoek laat zien dat goede resultaten reproduceerbaar zijn, maar niet vanzelf ontstaan.

Gevolgen voor kosten en draagvlak

De efficiëntiekloof heeft directe invloed op economisch vlak. Bij een SPF van rond de 2,8 kan elektrisch verwarmen duurder zijn dan verwarmen met gas, wat het draagvlak voor warmtepompen ondermijnt. Bij een SPF van 3,8 tot 4,0 verandert het beeld volledig. In dat geval zijn warmtepompen niet alleen klimaatvriendelijk, maar ook financieel aantrekkelijk. Het verschil tussen een goed en slecht afgeleid systeem kan honderden ponden per jaar bedragen, ofwel 26 procent voor een gemiddeld huishouden.

Een opvallend aspect van de studie is het gebruik van open-source data. Door praktijkprestaties openbaar te maken, wordt zichtbaar wat wel en niet werkt. De onderzoekers pleiten daarom voor bredere en meer gestandaardiseerde monitoring van warmtepompen. Dat zou installateurs, beleidsmakers en consumenten helpen om realistische verwachtingen te ontwikkelen en sneller bij te sturen waar nodig.

De onderzoekers doen meerdere aanbevelingen om de efficiëntiekloof te dichten. Zo is er meer aandacht nodig voor ontwerp op lage temperaturen, betere opleiding en certificering van installateurs, en heldere richtlijnen voor inregeling en nazorg. Ook beleid kan helpen, bijvoorbeeld door prestatie-monitoring te stimuleren in plaats van alleen het aantal geplaatste warmtepompen te tellen. Op technisch vlak kan een SPF van 4.0 of zelfs meer bereikt worden, ook met een aanvoertemperatuur van minder dan 42 graden.

De centrale boodschap van de onderzoekers luidt dat warmtepompen absoluut uitstekend kunnen presteren, maar dat gebeurt nog te vaak toevallig. Zolang de focus ligt op snelle uitrol zonder voldoende aandacht voor kwaliteit en kennis, zullen de resultaten wisselend blijven. “De warmtepomp is geen wondermiddel dat vanzelf goed werkt. Pas wanneer ontwerp, installatie en gebruik op elkaar zijn afgestemd, komt het beloofde rendement echt binnen handbereik”, besluiten de onderzoekers.