Aansluitstop Utrecht dwingt warmtesector beter naar bestaande aansluiting te kijken

05.05.2026 Gijs de Koning

Aansluitstop Utrecht dwingt warmtesector beter naar bestaande aansluiting te kijken

Vanaf 1 juli 2026 geldt in het grootstedelijke gebied rond Utrecht een tijdelijke aansluitstop voor nieuwe en zwaardere elektriciteitsaansluitingen. Daarmee raakt netcongestie niet langer vooral bedrijven en grootverbruikers, maar ook huishoudens die hun woning willen verduurzamen met bijvoorbeeld een warmtepomp, inductiekookplaat of laadpaal. Volgens energie-experts Henry Lootens en Nando Tolboom betekent dat niet dat de warmtetransitie stilvalt. In hun position paper Congestie: in de volgende 3 fases? stellen zij juist dat er binnen bestaande aansluitingen nog veel mogelijk is.

Voor het verkrijgen van een nieuwe aansluiting of het uitbreiden van de aansluiting van 1 fase naar 3 fasen komen huishoudens en bedrijven in het grootste deel van de provincie Utrecht op een wachtlijst, tenzij het net fysiek wordt uitgebreid of er ruimte ontstaat door flexibeler netgebruik. Ook verzwaringen voor warmtepompen of laadpalen vallen daaronder.

Daarmee wordt de vraag urgenter of woningen standaard naar een 3-fasenaansluiting moeten om mee te kunnen in de warmtetransitie. Lootens en Tolboom zijn daar kritisch op. “De kern van de discussie gaat helemaal niet over 1-fase of 3-fase. Het gaat om gelijktijdigheid”, schrijven zij. Volgens hen gaat het dus niet alleen om het vermogen van één apparaat, maar om de vraag wat een woning op hetzelfde moment doet.

Een warmtepomp, laadpaal of kookplaat is volgens de auteurs op zichzelf meestal niet het probleem. De problemen ontstaan wanneer al die apparaten tegelijk vermogen vragen. “Een woning op 1-fase is geen belemmering; het is geen fout die gerepareerd dient te worden”, schrijven zij. Volgens hen is het daarom haalbaar voor het overgrote deel van de grondgebonden woningen om over te stappen op een warmtepomp met een 1-faseaansluiting. Wel betekent 1-fase dat pieken minder makkelijk “gedachteloos” kunnen worden opgestapeld.

De meterkast als energierotonde

In de paper staat de meterkast centraal. Die is volgens de auteurs veranderd van een technische kast met stoppen in “de energierotonde van de woning”. Daar komen netaansluiting, beveiliging, verdeling, teruglevering en nieuwe elektrische toepassingen samen.

Die verandering vraagt volgens Lootens en Tolboom om systeemdenken. Een zwaardere aansluiting kan nuttig of nodig zijn, maar lost niet automatisch het onderliggende probleem op. “Meer rijstroken betekenen niet automatisch een betere doorstroming”, schrijven zij over 3-fase. Als apparaten niet goed over de fasen verdeeld zijn, kan alsnog scheefbelasting ontstaan.

Dat is niet alleen een risico in de woning, maar ook in de straat en wijk. Volgens de paper kan een ongelijke belasting van fasen leiden tot spanningsverschillen, extra netverliezen en hogere belasting van kabels en transformatoren. Hun conclusie is scherp: “3-fase zonder visie is geen transitie, maar het opschalen van een visieloos systeem.”

Warmtepomp op 1-fase vaak mogelijk

Voor de warmtesector is vooral relevant dat de auteurs 1-fase niet als rem op de warmtetransitie zien. “De beperking van het vermogen van de 1-faseaansluiting vormt geen belemmering voor de warmtetransitie in het merendeel van de grondgebonden woningen”, stellen zij.

Volgens de paper heeft “vrijwel iedere woning met een gasverbruik onder de 1.400 kubieke meter” voldoende aan een warmtepomp op 1-fase, waarbij de warmtepomp één groep benut. Die claim vraagt in de praktijk wel om toetsing per woning, aansluiting, installatieontwerp en gekozen warmtepomp. Daarnaast staat regie op de gelijktijdigheid van het verbruik hierin centraal: verwarmen kan in de ochtend, koken in de avond en laden in de nacht.

Slim sturen begint bij goed installeren

De auteurs waarschuwen dat “slimme” aansturing geen wondermiddel is wanneer de basis niet klopt. Warmtepompen die te klein worden gekozen en bij koude dagen terugvallen op een straalkachel of elektrische back-up kunnen het net juist extra belasten. Ook elektrische boilers die zonnestroom moeten opslaan, kunnen in de winter ongunstig uitpakken.

Volgens Lootens en Tolboom moet de volgorde daarom anders zijn: eerst een netvriendelijk ontwerp, daarna pas slimme sturing. “Slim komt ná, of hooguit gelijktijdig mét, een juiste en bij voorbaat een netvriendelijke installatie”, stellen zij.

De stuurbaarheid van warmtepompen is bovendien beperkt op koude dagen. De auteurs vatten dat samen in één stelling: “Een warmtepomp kan beperkt ruimte maken in de meeste avonduren, maar dient in ruil daarvoor die ruimte te krijgen op koude winternachten en ochtenden.” Die ruimte kan bijvoorbeeld worden gegeven door een aanpassing te maken rondom de geluidsnormering voor de warmtepomp, die nu stelt dat warmtepompen aan stiller moeten zijn tussen 19.00 uur en 7.00 uur. Waardoor het volgens Tolboom en Lootens mogelijk is dat de warmtepompen tijdens de piekuren een inhaalslag moet maken.

Randvoorwaarden moeten richting geven

De volgende fase vraagt om duidelijke randvoorwaarden voor installateurs, leveranciers en consumenten. Zulke kaders moeten volgens hen niet vanuit één techniek worden geschreven, maar techniekneutraal en uitvoerbaar zijn. Daarom vinden zij dat installateurs betrokken moeten worden bij het opstellen ervan: zij moeten er in de praktijk mee kunnen werken.

De auteurs noemen drie concrete randvoorwaarden. Ten eerste moeten thuisbatterijen niet onbeperkt worden uitgerold. Bij woningen die nog op gas draaien, vinden zij het moeilijk uitlegbaar dat netcapaciteit wordt gebruikt voor elektrische opslag, terwijl de warmtevraag nog fossiel wordt ingevuld. Thuisbatterijen zouden daarom een vermogensbeperking moeten krijgen en verplicht moeten kunnen loadbalancen.

Ten tweede moet het gratis verwijderen van gasaansluitingen volgens hen worden gekoppeld aan een aantoonbaar netvriendelijke warmteoplossing. Anders kan de netbeheerder volgens de auteurs gas verwijderen, maar daar een nieuwe elektrische belasting voor terugkrijgen die het net juist verder onder druk zet.

Ten derde pleiten Lootens en Tolboom voor betere registratie. Zonnepanelen en batterijen worden momenteel al geregistreerd, maar ook laadpalen en warmtepompen zouden hier aan toe moeten worden gevoegd. Daarbij moet niet alleen bekend zijn welk product is geplaatst, maar ook hoe het is aangesloten en welk plan daarachter zit. Daarmee kan beleid minder op aannames leunen en wordt duidelijker hoe woningen het net werkelijk belasten.

De kern van hun boodschap blijft daarmee dat de warmtetransitie op bestaande aansluitingen vaak mogelijk is, maar niet vanzelf. Zonder randvoorwaarden, registratie en installatiekwaliteit dreigt netcongestie vooral te leiden tot ad-hocmaatregelen. Met duidelijke kaders kan dezelfde aansluitcapaciteit volgens de auteurs beter worden benut. Zoals zij afsluiten: “Niet: 3-fase is beter, maar: 1-fase is in veel gevallen prima bruikbaar. Mits je de randvoorwaarden maar serieus neemt.”