Datacenters: ‘je ziet het pas als je het door hebt’
11.03.2026 Robert Jan van Egmond Programmamanager duurzame warmte en koude bij TKI Urban Energy

Onze economie digitaliseert in hoog tempo. We willen meer data-analyse, meer cloudtoepassingen, meer artificiële intelligentie. Overheden sturen op digitale dienstverlening, bedrijven automatiseren processen en burgers verwachten permanente online beschikbaarheid. Datacenters vormen het fundament onder die ontwikkeling. Zonder hen geen AI-toepassing, geen digitale overheid en geen concurrerende kenniseconomie.
Tegelijkertijd wringt het. Datacenters gebruiken veel elektriciteit en leggen druk op het energiesysteem. In een tijd waarin netcongestie en verduurzaming de agenda domineren, wordt hun energieverbruik regelmatig als probleem neergezet.
Feitelijk is het beeld helder: vrijwel alle elektriciteit die een datacenter binnenkomt, wordt uiteindelijk omgezet in warmte. Servers verrichten rekenwerk; de elektrische energie die daarvoor wordt gebruikt, eindigt fysisch gezien als warmte. Inclusief koeling en ondersteunende systemen komt meer dan 90 procent van de ingaande stroom als warmte beschikbaar. In theorie is zelfs bijna 100 procent van die energie als warmte terug te winnen — mits je beschikt over de juiste infrastructuur om die warmte af te voeren, op te waarderen en te distribueren.
Daar ligt de kern van het vraagstuk. Restwarmte uit datacenters heeft doorgaans een relatief lage temperatuur. Om woningen of gebouwen ermee te verwarmen zijn warmtenetten, warmtepompen en een goed ontworpen distributiesysteem nodig. Dat vraagt investeringen, ruimtelijke inpassing en langdurige samenwerking tussen publieke en private partijen. Het is een infrastructuurvraagstuk.
Wat we zouden winnen bij grootschalig gebruik van die warmte is aanzienlijk. Elke gigawattuur aan hergebruikte restwarmte betekent minder inzet van aardgas of andere primaire energiebronnen voor verwarming. Op nationale schaal kan dat gaan om honderdduizenden woningen die (deels) met datacenterwarmte worden verwarmd. Daarmee wordt niet alleen CO₂-uitstoot vermeden, maar ook de druk op het elektriciteitsnet verlaagd doordat minder elektrische warmtepompen op piekmomenten hoeven bij te springen.
Tegelijkertijd is het niet redelijk om de volledige verantwoordelijkheid voor warmtelevering bij datacenters neer te leggen. Hun primaire taak is het leveren van betrouwbare digitale infrastructuur. Zij kunnen warmte beschikbaar stellen, maar zij zijn geen warmtenetbeheerder, geen woningcorporatie en geen gemeentelijke energie-regisseur. De levering van restwarmte aan gebouwen vraagt een keten van partijen, afspraken over investeringen, risicoverdeling en langjarige afnamegaranties. Dat is geen bijproduct dat je “even” toevoegt aan een serverpark.
Hier ontstaat onze maatschappelijke spagaat. We willen verregaande digitalisering én maximale verduurzaming, maar behandelen de noodzakelijke randvoorwaarden als individuele businesscases die vooraf volledig sluitend moeten zijn. In de warmtetransitie blijven we maar technieken en businesscases opstellen. Elke onzekerheid wordt doorgerekend, elk risico afgedekt, elke euro drie keer gewogen. Het gevolg is dat middelen en energie opgaan aan modelleren en onderhandelen, terwijl fysieke realisatie achterblijft.
Misschien vraagt dit om een andere benadering. Niet: “kan het datacenter dit rendabel leveren?” maar: “vinden wij als samenleving het wenselijk om deze (en allerlei andere!) restwarmte nuttig te gaan gebruiken?” Denk aan hoe we elektriciteitsnetten, spoorlijnen en fietspaden als collectieve voorzieningen beschouwen, zo zouden we ook de infrastructuur voor het delen van restwarmte kunnen zien: als een publieke opgave. Niet alles hoeft vooraf een perfecte businesscase te zijn om maatschappelijk waardevol te zijn.
We staan voor een keuze: blijven we optimaliseren op papier, of durven we te investeren in systemen die pas hun waarde bewijzen als ze er liggen? Om met Johan Cruyff te spreken: “Je gaat het pas zien als je het doorhebt.”



























