‘We moeten de sociale en de technische kant meer bij elkaar brengen’

23.05.2023 Brendan Hadden

‘We moeten de sociale en de technische kant meer bij elkaar brengen’

Volgens Kathelijne Bouw, onlangs gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), moet je bij keuzes voor technieken ook de sociale randvoorwaarden meenemen. Bouw ziet in de verduurzaming van de gebouwde omgeving nog vaak dat deze twee kanten van de transitie afzonderlijk worden behandelt. In haar proefschrift ontwikkelde ze daarom een aanpak die de sociale en de technische aspecten integreert, die gemeentes en andere organisaties kan helpen met een succesvolle verduurzaming van woonwijken.

Je kunt de meest efficiënte warmtepomp op de duurzaamste warmtebron ter wereld aansluiten, maar als niemand erop zit te wachten (of het kan betalen) ben je alsnog nergens.

“Elke wijk is anders, en heeft een hele specifieke lokale context”, vertelt Bouw. “We willen graag versnellen, en neigen daarbij naar standaardisatie. Maar je moet vooral je methode willen standaardiseren, en niet per se de oplossing.”

Bouw ziet nog te vaak dat gemeentes moeite hebben oplossingen op het gebied van duurzaamheid te schalen, omdat de resultaten zich niet gemakkelijk vertalen naar andere wijken met andere omstandigheden. Ook worden beslissingen over technische oplossingen al vroeg in het proces genomen – omdat een gemeente een projectvoorstel heeft moeten indienen om financiering te krijgen – waardoor het project vastloopt als achteraf blijkt dat het niet lukt om draagvlak te creëren.

“Vaak zijn sociaal en technisch nog parallelle trajecten, heel erg gescheiden van elkaar”, vertelt Bouw. “Daarom leek het me dus nuttig om een methode te ontwikkelen waarbij die aspecten meer bij elkaar komen.”

Een sociaal-technische methode voor het verduurzamen van woonwijken
Het proefschrift van Bouw – met de titel Een sociaal-technische benadering van de transitie naar emissiearme woonwijken – staat inmiddels online en is gratis in te zien. De methode die Bouw heeft ontwikkeld is in de kern een set van tools die in samenhang kunnen worden toegepast en zijn getest in verschillende omgevingen.

Bouw beschrijft onder andere een rekentool, waarmee je de kosten per stakeholdergroep in kaart kan brengen: “Hiermee kun je de kosten per post opsplitsen, en transparant in kaart brengen wat de kosten zijn en waar die terecht komen. Transparante informatie is nodig om gezamenlijk met alle stakeholders beslissingen te kunnen maken over de manier van verduurzaming.”

Maar je hebt ook verschillende sociale tools. De belangrijkste hiervan is het opstellen van een ‘sociaal wijkprofiel’. Dat profiel kun je volgens Bouw opstellen door wijkbewoners aan de hand van een vragenlijst en aanvullende interviews, waarmee de sociale aspecten in kaart kunnen worden gebracht. De informatie die hierbij van belang is heeft bijvoorbeeld te maken met de sociale cohesie in een wijk, de voedingsbodem voor een gezamenlijk proces, de organisatiekracht en het onderling vertrouwen. Ook is het belangrijk om te achterhalen welke techniek de voorkeur van bewoners geniet.

“Het profiel geeft informatie over wat er in een wijk kan qua techniek”, licht Bouw toe. “Denk bijvoorbeeld aan de mate waarin bewoners zelf mogelijkheden tot verduurzaming zien (financieel of anders), en of een individuele of collectieve oplossing beter past.” Zo is in een wijk met een geschiedenis van buurtprojecten waarschijnlijk meer mogelijk qua collectieve oplossingen, zoals een warmtenet.

Vooral aan gemeentes om de methode op te pakken
“Ik denk dat het vooral voor gemeentes interessant is”, vertelt Bouw. “Die hebben namelijk de opdracht van de overheid gekregen om wijken te begeleiden naar aardgasvrij (Programma Aardgasvrije Wijken, red.)". Ook denkt Bouw dat haar methode mogelijk interessant kan zijn voor energiecoöperaties en wijkbewoners die aan de slag willen met de verduurzaming en daarbij moeten samenwerken.

Bouw heeft goede hoop dat een sociaal-technische benadering de verduurzaming veel kan opleveren. “Als je de voorkeuren van wijkbewoners vanaf het begin meeneemt heb je een veel grotere kans op succes”, legt Bouw uit. “Daarbij komt dat het efficiënter is, omdat je niet laat in het proces nog een stap terug moet doen omdat jouw oplossing helemaal niet gewenst was.”

Van onderzoek naar de praktijk
Bouw vertelt dat er verschillende initiatieven zijn waarmee ze hoopt dat haar proefschrift een verschil gaat maken buiten de academische kringen. Zo wordt er bij de Hanzehogeschool verder gewerkt aan de ontwikkeling van de tooling. Ook is het sociaal wijkprofiel al in een aantal wijken toegepast, geeft Bouw aan, en hoopt ze er steeds meer ervaring mee op te doen.

“We willen het allemaal beschikbaar stellen voor de praktijk”, vertelt ze. “Maar daar zit nog wel een ontwikkelslag in; momenteel is het nog een onderzoekstool.”

Zelf gaat Bouw straks aan de slag als onderzoeker bij TNO. Ze wil daar voortbouwen op het werk dat ze in haar proefschrift heeft gedaan, en gelooft dat er nog een hoop te winnen valt op het vlak van sociaal-technische benaderingen.

“Ik denk dat het met name belangrijk is dat deze manier van werken – de integratie van het sociale proces en de technische ontwikkeling – verder opgepakt wordt”, vertelt Bouw. “Dat zou de transitie echt kunnen helpen, en daarvoor is het belangrijk dat we er zo snel mogelijk meer ervaring mee opdoen.”