Waarom warmtetarieven niet langer aan gas worden gekoppeld
27.01.2026 Gijs de Koning

In 2025 is de Wet collectieve warmte (Wcw) door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. Dit gaat grote gevolgen hebben voor de tarieven die warmteleveranciers aan hun klanten kunnen en mogen rekenen. Het borgen van eerlijke tarieven voor warmteafnemers, zonder dat investeringen in warmtenetten onaantrekkelijk worden, is daarbij de grootste uitdaging. Daarvoor is echter een systeem bedacht.
Als de Wet collectieve warmte in werking treedt, wordt niet gelijk afgestapt van het ‘niet meer dan anders’-principe dat de afgelopen jaren werd gehanteerd. Volgens dit principe mag de maximale prijs voor warmte uit een warmtenet of stadswarmte niet hoger zijn dan wat verwarmen met gas zou kosten. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) stelt deze tarieven vast.
Advocaat Elise Noordhoek adviseert warmtebedrijven en overheden bij projecten die te maken krijgen met de Wet collectieve warmte en staat partijen bij in procedures bij de ACM. Ze legt uit waarom het noodzakelijk is dat de ACM de tarieven op een andere wijze gaat vaststellen en hoe ervoor wordt gezorgd dat dit voor alle betrokken partijen eerlijk blijft.
“Het ‘niet meer dan anders’-principe was logisch toen vrijwel iedereen nog op gas zat, maar in de huidige energietransitie werkt die koppeling niet meer”, licht Noordhoek toe. “Als gas duurder is dan warmte betalen warmtenemers onnodig te veel, terwijl warmtebedrijven bij hogere kosten juist niet kunnen rondkomen. Daarom is besloten om warmtetarieven te baseren op de kosten van warmte, en niet langer op de gasprijs.”
Gefaseerde invoering van warmtetarieven onder de Wcw
De komende jaren zullen de tarieven voor warmte uit warmtenetten verschuiven van een koppeling aan de gasprijs naar een kostengebaseerd tarief. Dat gebeurt niet in één keer, maar via een gefaseerde invoering.
In de eerste fase van de Wcw blijft de manier waarop tarieven worden vastgesteld grotendeels hetzelfde en stelt de ACM deze vast zoals nu. “Pas in fase twee volgt de echte omslag, waarbij warmtetarieven niet langer aan gaskosten zijn gekoppeld maar aan de kosten van warmte”, stelt Noordhoek.
Om te bepalen wat de daadwerkelijke kosten van warmte zijn, moeten warmteleveranciers inzicht geven in de kosten die zij maken. De ACM beoordeelt vervolgens of die kosten efficiënt zijn gemaakt en of ze correct zijn doorberekend in de tarieven.
Daarbovenop mogen warmtebedrijven een redelijk rendement verdienen. Op dit moment heeft de ACM de bevoegdheid om de toekomstige tarieven van een warmteleverancier te corrigeren als die leverancier een te hoog rendement heeft behaald. Met de nieuwe tariefsystematiek worden de tarieven vastgesteld op basis van het redelijke rendement en de kosten van het warmtebedrijf. Voor de komende jaren is het redelijke rendement door de ACM vastgesteld op 7 procent. Dit kan echter veranderen in de volgende fase. “Die fase wordt nu verwacht tussen 2029 en 2031, al is het exacte moment nog niet definitief vastgesteld”, voegt Noordhoek toe.
Een belangrijk punt in fase twee is dat niet alle kosten automatisch mogen worden doorberekend. “De ACM gaat kosten normeren”, stelt Noordhoek. “Dat betekent dat wordt gekeken wat een warmtebedrijf redelijkerwijs aan een bepaalde kostenpost mag uitgeven.”
De toezichthouder vergelijkt warmtebedrijven onderling om te beoordelen of kosten efficiënt zijn. Zonder die prikkel zouden bedrijven weinig reden hebben om kosten te beperken, wat uiteindelijk tot hogere tarieven zou leiden. “Juist die normering, samen met het vaststellen van een redelijk rendement, is bedoeld om consumenten te beschermen.”
Waarom warmtetarieven per warmtenet kunnen verschillen
Omdat warmtetarieven deels gebaseerd worden op lokale kosten, kunnen er verschillen ontstaan tussen warmtekavels. Dat kan leiden tot politieke discussie over eerlijkheid. De Tweede Kamer heeft hierover een amendement aangenomen: wanneer meerdere kavels onder hetzelfde warmtebedrijf vallen en het gemeentebestuur instemt, kunnen kavels worden samengenomen tot één tariefgebied. Binnen die kavels geldt dan hetzelfde tarief.
Daarnaast bevat de Wcw de mogelijkheid van een tarieflimiet. Warmtebedrijven dragen gezamenlijk aan bij aan een fonds. Daarmee kunnen uitschieters boven een bepaalde tarieflimiet worden afgevlakt. Ook de Rijksoverheid kan bijspringen en de limiet dan op een lager bedrag vaststellen.
Betaalbaarheid vraagt meer dan tarieven alleen
Volgens Noordhoek is betaalbaarheid breder dan tariefregulering alleen. Gemeenten moeten in hun besluiten binnen de warmtetransitie bijvoorbeeld ook kijken naar isolatiekosten, netverzwaring, subsidies en energiearmoede. “De tariefsystematiek zorgt voor de vertaalslag van kosten naar tarieven, maar betaalbaarheid vraagt om een bredere afweging.”
Juist omdat warmtenetten monopolistisch zijn is volledige tariefregulering noodzakelijk. “Dat maakt het systeem ingewikkeld, maar ook zorgvuldig. Er is zichtbaar geprobeerd om alle belangen mee te nemen.”
Spanning tussen laagste nationale kosten en keuzevrijheid
Naast de Wcw legt de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) een grote verantwoordelijkheid bij gemeenten. Zij moeten per wijk bepalen wat de meest kosteneffectieve duurzame warmteoplossing is, uitgaande van de laagste nationale kosten. Tegelijkertijd behouden bewoners keuzevrijheid om niet op een warmtenet aan te sluiten, bijvoorbeeld door zelf een warmtepomp te installeren. Dat spanningsveld maakt de afweging complex.
“Gemeenten moeten in het Wgiw-spoor bepalen wat op wijkniveau de oplossing is met de laagste nationale kosten, maar ze kunnen bewoners niet verplichten om mee te doen aan een warmtenet. Die keuzevrijheid is juridisch goed geborgd, maar brengt wel risico’s mee voor de businesscase van een warmtenet. Als te veel mensen afhaken, kan dat de betaalbaarheid en haalbaarheid onder druk zetten”, aldus Noordhoek.
Volgens haar vraagt dat van gemeenten een zorgvuldige balans tussen systeemkosten, betaalbaarheid en draagvlak. “Het is niet alleen een technische of juridische keuze, maar ook een maatschappelijke afweging.”
Spannend, maar logisch
De overgang naar kostengebaseerde warmtetarieven blijft spannend, erkent Noordhoek. “Alle bestaande projecten krijgen met de nieuwe tariefregulering te maken. Het is nu nog moeilijk te voorspellen wat dit per project betekent. Maar gemiddeld liggen de rendementen in de sector niet hoog. De stap weg van de gasreferentie is logisch en nodig met het oog op de warmtetransitie.”
Volgens haar ligt de kracht van de Wcw in de gefaseerde aanpak: eerst stabiliteit, daarna hervorming, met steeds meer ervaring onderweg. “Het is geen perfect systeem, maar er zijn wel veel waarborgen ingebouwd om het eerlijk te houden. Dit geldt zowel voor consumenten, als voor warmtebedrijven en voor de energietransitie als geheel.”





























